vrijdag 13 april 2012

Legende van Paleochora

Hier niet ver van ons guesthouse ligt Paleochora, een verlaten stad, in een prachtige omgeving, in het 'niks'. Vorig jaar zijn we hier ook geweest, maar werden we weggejaagd door de vervelende steekvliegen. Dus deze keer een nieuwe poging.



Deze keer lopen we rond in een prachtige omgeving vol met bloemen. Het enige wat we horen is het gegons van de bijen, want die bevinden zich hier in het paradijs.

Maar het feit dat deze stad er nu als verloren bij ligt, kent een mooi en verdrietig verhaal:


Zeven keer in haar lange leven is Kythira beroofd van haar kinderen. Zeven keer laten piraten haar achter als een gebarsten wijnzak. Moedige pioniers bevolken haar telkens opnieuw, want ze heeft rijke velden, maar de angst voor piraten blijft. Na lang zoeken komt eindelijk hun droom van eeuwen uit: een onneembare vesting, waar ze veilig zijn. Op een plaats die ze niet eerder kenden, waar twee machtige kloven samen komen, verrijst een hoge rots, omringd door toegankelijk bergland. Ze noemen de plek Agios Nikolaos, naar hun beschermheilige en bouwen op de enige toegangsrichel een muur van zes voet dik. Een beladen ezel kan er langs, meer niet.

zicht op Paleochora

En achter die muur groeit Agios Nikolaos en breidt zich over de rots uit als een Phyrgische muts over een hoofd. Er wonen wel achthonderd mensen en er zijn vijftien kerken waarin twintig pappades huwelijken voltrekken, kinderen dopen en begrafenissen regelen. 

restanten van fresco's in een kerkje

Op zondag komen de mensen samen op het plein om nieuws uit te wisselen en de producten van hun velden te ruilen. Eten, drinken, praten, lachen, zingen … levenslust kent geen einde en als in de middag de luiten en violen tevoorschijn komen danst iedereen mee, ook de ouderen, want Hellenen moeten dansen tot ze niet meer kunnen. Het is de zondag en de traditie van Agios Nikolaos en die traditie blijft zolang de zon schijnt.



De Kythirianen voelen zich veilig, want God en de Panajia verbergen hen op hun onneembare rots, maar toch … Er is één geheim, waarover dus niemand spreekt, ofschoon velen er van weten. Het is de schuilplaats in tijden van uiterst gevaar, een spelonk achter een loodrechte rotswand, toevlucht voor vrouwen, kinderen en zwakken. De ingang is een klein gat, maar er liggen touwladders gereed en daarachter is een grote ruimte in de diamantharde ingewanden van het eiland.



Het is natuurlijk onzin te veronderstellen dat niemand buiten Kythira van de rijkdom weet. Sprookjes over weelde kruipen als een olievlek op het water en avonturiers schilderen hun verbeelding over de stad Agios Nikolaos in de bontste kleuren. De verhalen bereiken ook de moordlustige afstammelingen van Sem aan de overkant van de zee. Hun afschuwelijke aanvoerder Chair ed Din, de man met de rode baard, ruikt prooi en op een zwarte dag gaan de Algerijnse zeerovers onder zeil om dood en ellende te brengen.

De duivels vangen vijftien mannen van het vissersplaatsje waar ze landen en zetten hen op een rij. ‘Breng mij naar de verborgen stad,’ zegt de rode aan de eerste. ‘Nee, dat kan ik niet’, antwoordt deze maar voor hij is uitgesproken, splijt een kromzwaard zijn schedel. ‘Vlug, de volgende. Waar ligt de verborgen stad?’ ‘Op Kythira is geen verborgen stad,’ zegt de man. Het zijn z’n laatste woorden. ‘Genoeg,’brult de opperduivel, ‘denken deze christenhonden, dat wij tijd hebben om naar hun leugens te luisteren? Zet er zes hier op een rij en sla ze de kop af.’ Ziek van afgrijzen zien de overgeblevenen hoe het bloed van Kythira’s kinderen als een beek naar zee stroomt. ‘Nu jij daar, vertel mij …’ maar de eerstvolgende kan niets zeggen. Hij is in elkaar gezakt op de bloeddoordrenkte grond. En de vraag hoeft niet meer herhaald te worden, want de volgende zegt: ‘Waarom zullen we ons allemaal laten afmaken ? Ik zal je brengen waar je heen wilt.’

De piraten hebben intussen meer gevangen gemaakt en deze moeten nu, samen met de overlevenden van de eerste groep, zware werktuigen op onbeholpen wielen voortrollen. Vrouwen en kinderen trekken in touwen, jukken en halsters onder zweepstriemen de kanonnen en karren langs smalle weggetjes en door hete dalen, tot ze bijna omkomen van uitputting. Voort in de richting van Agios Nikolaos.

Maar mensen in Agios Nikolaos hebben een vloot zien langsvaren en mannen die vroeger in de zeevaart werkten, weten zeker dat het Algerijnen zijn en slaan alarm. De president en zijn raadslieden aarzelen niet en zetten iedereen aan het werk voor de verdediging. Twee sterke mannen brengen alle zieken, ouden van dagen en de vrouwen met jonge kinderen naar de geheime spelonk. Zonder paniek klimmen ze door de opening en langs de touwladders. De oudsten en jongsten hebben hulp nodig, maar zijn ze niet allen kinderen van hun eigen land? Verkeerden de ouden niet vaker in levensgevaar? Als de piraten in zicht komen met de zwoegende gevangenen, zijn honderden veilig in de schuilplaats en staan de anderen, volgens plan, op hun post om zichzelf, hun dierbaren en hun bezit te verdedigen.

De rode piraat is tevreden. Hij heeft twaalf slaven verloren, dat is alles. Sommigen door uitputting, anderen doodgeranseld. Er is vóór zonsondergang nog tijd genoeg en hij laat de kanonnen in stelling brengen. Het primitieve geschut mist zijn uitwerking niet. De ijzeren kogels vernielen de barricade bij de muur en dat veroorzaakt panische angst onder de vele verdedigers. De paniek groeit, maar de woede van de Kythirianen is groter dan hun angst en hun pijlen zijn meer waard dan de omslachtige musketten van de zeerovers. En bij man tegen man wordt menig piraat de strot stukgebeten door een stervende Griek. Toch wordt de tegenstand gebroken en de mensenbuit verzameld op het plein. De winst is klein, nauwelijks honderd mannen. ‘De rest is half of heel dood,’ meldt een officier, ‘het heeft geen zin hen hier te brengen.’ ‘Nee, maar hier stinkt wel iets Achmed,’ snauwt de rode, ‘weinig vrouwen en geen kinderen. Bestaat niet. Ze hebben dus ergens een schuilplaats. Neem al je mannen mee om te zoeken. En vlug. Voor zonsondergang wil ik hier weg zijn. De Venetianen zijn sterk en lastig en deze wateren.’

De piraten kammen de omgeving uit maar vinden zelfs geen spoor van mensen. ‘Jullie kunnen niets vinden,’gromt Barbarossa, ‘ik zal laten zien hoe we dat doen,’en hij spreekt de eerste van de gevangenen aan: ‘Waar zijn jullie vrouwen en kinderen?’ Geen antwoord en een hoofd rolt over het plein. ‘De volgende. Waar zijn …’ Maar het antwoord komt van de vijfde man uit de derde rij, van grote sterke Mitso. Hij ziet er vreselijk uit. Bedekt met bloed van zichzelf en zijn vijanden. Zijn stem klinkt machtig: ‘Het is onnodig, kapitein van de rovers, deze arme mensen te vragen naar dingen die ze niet weten en ze dan de kop af te slaan. Ik zal je wijzen waar de vrouwen en kinderen zijn. Ga op dat lage dak staan, dan zie je de zee. Daar zijn de vrouwen en kinderen die we niet nodig hadden voor de verdediging. Ze zijn op tijd naar het vasteland. Wat je hier ziet is alles wat er is overgebleven’. ‘Kom hier bij mij, jij hond,’brult de rode. Langzaam verlaat Mitso Constantinou zijn plaats. Het volk van Kythira kent maar één grondwet: Liever rechtop sterven dan op knieën leven, maar niemand gaat snel als hij weet dat hij gedood wordt. Hij houdt zijn hoofd recht op zijn machtige romp en de roodbaard bewondert hem. ‘Jij bent niet ban voor me, hé?’ ‘Voor de duivel ben ik niet bang en dus ook voor jou niet,’ zegt Mitso en dan gebeurt het. Dun en teer en heel, heel zwak hoort hij het geluid van een huilend kind. Hij is de enige die het hoort. De plunderende soldaten maken genoeg lawaai om het kleine geluid te overstemmen en niemand heeft zulke goede oren als Mitso. Maar als de piraten het ook horen … ‘Panajia moe, help ons. Hebt U geen wonder of een kleinigheid in ons voordeel?’ Zijn overspannen zintuigen horen het geschreeuw van de baby steeds duidelijker. Panajia, wat verschrikkelijk. Wat kan hij doen? Hoesten? Roepen? Gillen? Mijn Panajia, help me … Ik moet waarschuwen. Ze moeten weten dat het kind gehoord kan worden …

Hij heft zijn gebonden handen en begint te dansen en te zingen. De Algerijnen kijken bevreemd toe maar Mitso danst mooi en de roodbaard laat hem begaan. Mitso zoekt naar woorden en dan komt, na enig proberen, zijn waarschuwing … het Kythiraanse volksliedje over een jager die een haas tracht te vangen. Maar in plaats van de hond toe te roepen hem zijn vangst te brengen zingt Mitso: “Pnyxe skile to lago sou, k’etsi sosse to lao sou … smoor je haas, hond en red zo je volk.’ Hij danst door en voegt er andere zinnen aan toe om geen argwaan te wekken. Piraten kijken spottend toe, anderen gaan door met plunderen en Mitso zingt steeds gemakkelijker. Luid klinkt door de avond van de bloeddag  de roep dat de hond zijn haas stil moet maken.

In de spelonk vult angst alle hoeken. Vrouwen, kinderen, zieken en oude mensen zoeken de verste plaatsen van de ongelijke rotsvloer op, liefst waar het gloeiend ingangsoog niet te zien is. Het blaffen van musketten, het kraken van instortende huizen en het gillen van gewonden is duidelijk te horen. Twee oude pappades bidden voortdurend in een hoekje. Kinderen worden voorzichtig vertroeteld met fluisterwoorden en alles gaat redelijk goed tot een zuigeling begint te huilen. Gewoon het huilen van een kind dat tegen de avond gevoed moet worden.

Zonder veel haast knoopt de jonge moeder haar blouse los en geeft het kind de borst. Seconden later is alles weer rustig en de kleine zuigt tevreden. Een lief gebeuren te midden van zwarte ellende. Maar plotseling hoest het kind en begint te schreeuwen. Melk spat rond. Iedereen verstijft van angst en schrik. Marika tracht de baby te stillen met haar mooie volle borst en met haar schort, mar de kleine worstelt zich steeds los en schreeuwt hysterisch. Grotere kinderen kruipen naar de plaats van de jonge moeder. ‘Kyra Marika…’ fluisteren ze, ‘kyra Marika…’, meer niet. Wat zouden ze anders kunnen zeggen? Marika ziet hun ogen die bidden en pleiten voor hun leven en ze weet wat hun lot is als de piraten de schuilplaats ontdekken. En dat van haarzelf. Marteling, verkrachting, sterven in het land van de satan waar het afgrijzen nooit eindigt.
De spelonkcommandant bij de ingang merkt dat er buiten iets bijzonders gaande is. Er wordt niet meer gevochten. ER zijn wel geluiden van plundering, maar er is iets anders ooit. Het lijkt of iemand een dansliedje zingt. Panajia moe, dat is de stem van grote Mitso. Wat zingt hij voor raar lied… ‘Pnyxe skile to lago sou … hond, smoor je haas …’. Wat bedoelt hij daarmee … maar, maar dat is voor hen bedoeld, in de grot. Mitso heeft het gegil van de kleine gehoord en waarschuwt. Hij haast zich naar wanhopige Marika met haar schreeuwende zuigeling. ‘Marika, maak het kind stil, we zijn allemaal in doodsgevaar … soppa, soppa, nou jochie …’ Hij zegt het haastig en hees, maar hoe zal het kind naar hem luisteren waar de eigen moeder het niet stil krijgt. ‘Kyra Marika … ‘fluisteren de kinderen met angstogen naar haar. Marika voelt de afschuw omhoog komen als een lauwwarme kwal die op haar maag ligt. Ze drukt de kleine tegen zich aan, maar de krampachtige worsteling van het kereltje wordt zo wil dat ze hem nauwelijks kan vasthouden. Ze houdt de baby voor zich uit alsof ze zegt: ‘Wurgen jullie hem dan als je kunt.’ Maar niemand neemt hem over.

Buiten, op het pleintje onder de grote muur danst Mitso en zingt zijn hopeloos ernstige waarschuwing. Iedere seconde kan fataal zijn. ‘Pnyxe skile …’ schreeuwt hij. Achter hem staan zijn lotgenoten met gebonden handen. Begrijpen ze wat hij doet ? Kleine Vassili is één van hen. Hij begrijpt goed waarom Mitso zo blij is. Die wil vast slavendrijver worden, beul van hen. Is dat nou één van de besten van de stad? Een vuile verrader, die danst en zingt om hun lot. Geen wonder dat de Heilige Nikolaos de stad niet heeft beschermd. De verontwaardiging stijgt Vassilli naar het hoofd en hij tast met zijn vingertoppen naar het dolkmes dat hij in zijn wijde broek heeft verborgen. Hij kan er bij als hij zich een beetje voorover buigt. Zijn besluit groeit tot een plicht bij de aanraking van het staal. Hij zal recht doen en die schoft straffen, die danst om hun verschrikkelijk ongeluk. Goed, dat de piraten niet op hem letten. Langzaam trekt hij het mes tevoorschijn, schuifelt om zijn buurman heen tot hij zijn kans schoon ziet. Dan springt hij toe, als een tijger op zijn prooi… Niemand reageert, niemand van de medegevangenen en ook niemand van de piraten. In een paar seconden is Vassilli bij Mitso, die almaar front maakt in de richting van de spelonk. Hoog heft Vassilli zijn beide handen … Mitso voelt nauwelijks de pijn, maar wel het falen van zijn poging de vrouwen en kinderen te redden, want, terwijl zijn waarschuwing wegvloeit met zijn leven, slaakt hij een kreet die iedereen verstijft.

En in de grot klemt Marika haar kind tegen zich aan. Heel vast. Zo vast, dat het zich op het laatst niet meer verroert en dan is alles stil.

De volgende dag volgt een stoet mensen de bedding van de kloof. De laatste is een jonge vrouw, die een bundel in doeken tegen haar borst klemt en er vreemd levenloos uitziet. Waar de kloof de laatste bocht maakt, op de plek waar de resten van de rotsstad nog net te zien zijn, komt ze plotseling tot leven. Ze draait zich om en schreeuwt met vreemd krijsende stem: ‘Nooit bouwen we je weer op Agios Nikolaos, want alle kinderen die in jou geboren worden zullen sterven voor ze zo groot zijn als mijn zoon. Vervloekt ben je, Agios Nikolaos. Vervloekt tot er niets meer van je over is…’

Haar metgezellen huiveren en zeggen niets. Geen Kytheriaan is ooit teruggegaan naar de plek waar Agios NIkolaos ligt en die eeuwenlang Agios Dimitrios heette en nu Paleochora.
(door Ton Lagerweij)

Geen opmerkingen: